Zeilende Binnenvaart
Met de opkomst van de industrie in Nederland nam na 1840 ook het scheepvaartverkeer toe. De vele meren, kanalen en riviertjes waren over het algemeen niet diep, daarom ging men binnenschepen met geringe diepgang bouwen. De lengte en breedte van de schepen werd aangepast aan de sluizen, bruggen en scherpe bochten in de vaarwateren. De vracht bestond meestal uit landbouwproducten, zand, grind, rivierklei, hout en turf. Omdat de stoommachine of dieselmotor nog niet was uitgevonden of voor deze schepen nog niet beschikbaar was, bleef tot in het eerste deel van de 20ste eeuw het zeilen de aangewezen manier van voortstuwing.
Zeilend was het ook goedkoper om goederen te vervoeren, maar er zaten beperkingen aan: men was afhankelijk van de wind en dat maakte het manoeuvreren vaak lastig. Bij weinig wind of een ongunstige windrichting moest er gejaagd worden. Het schip werd dan door mens of paard getrokken. Ook kon het schip met een lange paal of boom ‘geboomd’ worden.
Omdat de platbodemschepen zonder lading maar 50 tot 100 cm diep staken, waren zij erg zijwindgevoelig. Door het gebruik van zijzwaarden werd dit probleem ondervangen.

Met de opkomst van de scheepsdiesel rond 1920 brak er voor de beroepsvaart een nieuwe periode aan. Om geen laadruimte te verliezen, kozen veel zeilschepen aanvankelijk voor een hulpmotor voor in het schip met een zijschroef, een schroef die met een lange as aan de zijkant van het schip in het water werd gelaten. U kunt zich voorstellen dat dit varen met deze zogenaamde ‘lamme arm’ de nodige stuurmanskunst vereiste. Men maakte ook wel gebruik van een klein ‘opduwertje’ met een sterke motor dat langszij werd vastgemaakt.
